FAQ’s wat betreft onze koopkrachteffecten

  1. Welk model gebruiken we om de koopkrachteffecten door te rekenen?
    • We werken met EUROMOD, een rekenmodel dat op een steekproef van gezinnen de belastingen en uitkeringen doorrekent. De steekproef is EU-SILC, met inkomens voor duizenden personen in 2014.
  2. Waarom is niet alles precies in kaart gebracht?
    • De mate waarin we belasting- of uitkeringregels in detail kunnen toepassen hangt af van de beschikbare informatie in de database. Voor de personenbelasting en werknemersbijdragen is die informatie erg compleet.
    • Als we niet weten hoe lang iemand al werkloos is kunnen we de werkloosheidsuitkeringen niet laten afhangen van de duur bijvoorbeeld.
    • Nog een ander voorbeeld: de verhogingen van de pensioenen zijn sterk verschillend naarmate het moment waarop iemand met pensioen gegaan is, of naar het type pensioen. In de database hebben wij die gedetailleerde informatie niet, dus kunnen we de regels ook niet heel precies toepassen.
  3. Is de koopkrachtverhoging die wij berekenen dan wel een weergave van de werkelijkheid?
    • Ja en neen.
    • Ja, omdat we het veranderde beleid zo procies mogelijk doorrekenen.
    • Neen, omdat we alleen het beleid laten veranderen (bvb. de belastingschalen), terwijl er ook nog veel andere zaken veranderen in de wereld. Maar wij willen bewust, zoals in een labo, effecten isoleren.
    • Neen, omdat we -zoals hierboven vermeld- niet het detail hebben om de complexiteit van de werkelijkheid volledig weer te geven. Nu, we willen dat ook niet. Een model moét altijd een vereenvoudigde weergave zijn van de werkelijkheid, anders is het geen model. Nog anders gesteld: ons model kan en mag nooit in de plaats komen van de feitelijke berekening van belastingen door FOD Financiën, van de feitelijke pensioenberekening in de Zuidertoren, of van een feitelijke berekening van de kinderbijslag.
  4. Als onze berekeningen niet ‘perfect’ de realiteit weerspiegelen, hebben ze dan wel toegevoegde waarde in het publieke debat?
    • dat denken wij wel. De meerwaarde ligt in het feit dat we zonder onze berekeningen alleen maar weten dat de gemiddelde toename van de koopkracht ten gevolge van genomen maatregelen 3,5% zou geweest zijn. Wat wij kunnen (of proberen te) doen is in kaart brengen hoeveel variatie er schuil gaat achter dat gemiddelde van 3,5%.
    • door de koopkrachteffecten te berekenen voor mensen en gezinnen in heel verschillende situaties, kunnen we die spreiding rond het gemiddelde van 3,5% tonen. Dat is wat we doen, niet meer, maar ook niet minder. Het glas is daarmee half vol.
  5. Vanwaar dan de kritiek op de berekeningen?
    • Onze ervaring leert dat, naarmate we die variatie (en dus de complexiteit) beter in kaart brengen, ook de verwachting steeds verder opschuift in de richting van “een zo perfect mogelijke weergave van de complexe realiteit”. Dat is niet wat we kunnen doen, en – zoals hierboven gesteld – ook niet willen doen, want meestal ook niet zinvol. Zeker niet vanuit wetenschappelijk oogpunt.
  6. Snijdt de kritiek hout dat de koopkrachteffecten op pensioenen “verkeerd” zijn?
    • neen, ze zijn niet “verkeerd”.
    • Het is wel juist dat we nog geen rekening gehouden hebben met de welvaartsenveloppe 2019-2020, omdat die nog in uitvoering is.
    • Wat we ook niet konden was de welvaartsaanpassingen (en de indexsprong) doorvoeren zoals ze in werkelijkheid uitgevoerd worden. Daarvoor moeten we weten wie een minimumpensioen heeft, wanneer iemand op pensioen gaat, en dat weten we niet in de dataset. Daarom hebben we algemene verhoging doorgevoerd van alle pensioenen op dezelfde manier. Wij vinden dat dit geen ‘fout’ is, maar een noodzakelijke vereenvoudiging omwille van data-beperkingen. Het alternatief was dat we enkel de impact berekenden op de bevolking van de werkenden. Maar dan is de eerste vraag die we krijgen: ‘en de niet-werkenden dan?’
  7. Houden jullie rekening met verhoogde kosten?
    • ja, waar we kunnen. Dat betekent dat we BTW en accijnzen hebben meegerekend. Dat is op zich al tamelijk grensverleggend in een model dat meestal alleen personenbelastingen kan berekenen.
    • over andere kosten hebben we te weinig infomatie om ook die in kaart te brengen. Als we veronderstellen dat die kosten meestal toegenomen zijn, dan overschatten we dus de koopkrachttoename in opnze berekeningen.
  8. Houden jullie rekening met de indexsprong?
    • neen, of toch niet voor de loon- en weddetrekkenden. Dit kan vreemd lijken, maar de reden is dat de oorspronkelijke studie er in bestond de veranderingen in belastingen en uitkeringen (en enkele die) in kaart te brengen. Om daarop te focussen gebeurt dat onder duidelijke veronderstellingen. Eén daarvan is dat we de bruto-lonen constant houden. In werkelijkheid zijn die trouwens ook onder invloed van tal van andere factoren veranderd (bvb. CAO’s, IPA, maar gewoon ook vraag een aanbod naar bepaalde competenties). We maken van dit alles abstractie, net zoals we ook de macro-economische omgeving niet laten veranderen. Ook dit is een bewuste keuze, geen nalatigheid.
    • voor de uitkeringen hebben we de indexsprong wel toegepast. Al beseffen we ook hier dat het detail dat we aankunnen met de data geen recht doet aan de werkelijke verandering. De indexsprong werd immers niet toegepast voor de minimumuitkeringen. Alleen weten wij in de dataset niet wie een minimupensioen trekt.

Koopkracht: wat zit er achter de schermen van gemiddelden?

Co-auteur: Toon Vanheukelom (KU Leuven)

[Download deze blogpost in pdf-formaat]

[In een recent Leuvens Economisch Standpunt analyseerden de auteurs de impact van het beleid van de regering Michel op de koopkracht van gezinnen voor de periode 2014-2020.]

Het welles-nietesdebat over hoe de “koopkracht” geëvolueerd is onder de voorbije regering, is een schoolvoorbeeld van de uitdaging om cijfermateriaal zinvol aan te wenden in het publieke debat.

Er doen heel wat cijfers de ronde. Vaak wordt er verwezen naar een studie van de Nationale Bank. Die stelt in haar economische projecties van december 2018 inderdaad: “Gecumuleerd over de komende drie jaren, neemt de koopkracht van de particulieren toe met zowat 5%”. Maar dat gaat over de jaren 2019-2020-2021, en de Bank voegt er trouwens meteen aan toe: “Rekening houdend met de verwachte bevolkingsgroei, stemt dat overeen met bijna 3,5% per persoon”.[1] In haar Economische Vooruitzichten van februari 2019 vermeldt het Federaal Planbureau: “het reëel beschikbaar inkomen van de particulieren steeg vorig jaar met 1,2 %. De koopkracht werd ondersteund door een aanzienlijke toename van de werkgelegenheid en door fiscale maatregelen, maar de indexering van de lonen en de sociale uitkeringen bleef achter op de inflatie. Voor 2019 wordt een meer uitgesproken koopkrachttoename van 2,1% verwacht dankzij bijkomende verlagingen van de personenbelasting (in het kader van de taxshift) en een hogere indexering van de lonen in de privésector”. Collega Gert Peersman ziet in zijn studie die in Knack verscheen een toename van het reëel beschikbaar inkomen over de periode 2014-2018 van ongeveer 4%, maar merkt op dat dit lager is dan in de buurlanden. Per hoofd van de bevolking is dat trouwens slechts 2%.

Telkens wordt hier verwezen naar een toename van de koopkracht. Maar de periodes verschillen. En bovendien gaat het hier altijd om de toename van de koopkracht voor de hele economie op basis van een gemiddeld cijfer. Critici van het regeringsbeleid repliceren met reden dat dit gemiddelde grote variatie kan verbergen, en dat er wel degelijk ook mensen en gezinnen zijn die veel minder of niet aan koopkracht hebben gewonnen.

Om de verschillen in koopkrachtevolutie tussen arm en rijk te belichten wordt vaak naar een figuur verwezen die uit één van onze studies komt. En deze wordt, om het eufemistisch uit te drukken, al wel eens verkeerd geïnterpreteerd. De figuur komt uit een studie waarin we de impact van het beleid in belastingen en uitkeringen voor gezinnen in kaart hebben gebracht. De toegevoegde waarde van de studie is dat we dat op het niveau van de gezinnen doen, in tegenstelling tot bovenvermelde macro-studies die zich – meestal noodgedwongen – beperken tot effecten voor de hele economie. Ons model laat ons toe te beschrijven welke gezinnen meer winnen of verliezen dan anderen. De prijs die we daarvoor betalen is dat we onmogelijk alle effecten kunnen door­rekenen. Daarom is de studie beperkt tot het effect van “belasting- en uitkeringenbeleid”. De grafiek kan en mag dus niet gelezen worden als de werkelijke koopkrachtevolutie. Het toont enkel het effect van een weloverwogen set van maatregelen die we in het gebruikte model in kaart kunnen brengen. Dat zijn in hoofdzaak veranderingen in de sociale zekerheidsbijdragen en de personenbelasting, in de uitkeringen en in de BTW en accijnzen. We houden daarbij de macro-economische omgeving, en ook de brutolonen onveranderd. Daarmee zeggen we niet dat die niet veranderd zijn, wel dat je niet alles tegelijk in kaart kan brengen. Als je een stafkaart gebruikt of sterk inzoomt in Google Maps, moet je ook het zicht op het groter geheel opgeven. En als je naar het groter geheel wil kijken kan je niet op elk detail inzoomen. Zo hebben we de indexsprong beschouwd als een ingreep op de bruto-lonen, en net daarom is die in bovenstaande analyse niet mee in kaart gebracht. Ook eventuele reële loon­stijgingen zoals afgesproken in de voorbije IPA’s en sectorale loonakkoorden komen in onze analyse niet aan bod.

Grafiek 1: Impact van beleidskeuzes in belastingen en uitkeringen op de koopkracht voor tien decielen van de bevolking, 2014-2020

Noot: Decielen op basis van het equivalent beschikbaar gezinsinkomen. We meten veranderingen in koopkracht als de procentuele verandering van het beschikbaar inkomen minus de te betalen indirecte belastingen.
Bron: Decoster, Vanheukelom en Verbist, Financiële werkprikkels en herverdeling onder Michel I, Leuvense Economische Standpunten, 2018/172; berekeningen met EUROMOD op basis van EU-SILC 2015

De verticale as van figuur 1 geeft de verandering in koopkracht weer. We drukken ze uit als procentuele verandering van het beschikbaar inkomen in 2014, het basisjaar van de analyse. De horizontale as van de figuur geeft tien decielen weer, dat zijn groepen van 10% van de bevolking, geordend van arm (links op de horizontale as) naar rijk (rechts op de horizontale as). Het balkje helemaal links geeft het gemiddelde weer voor de volledige bevolking. Aangezien het doel van de studie erin bestond om het effect van verschillende beleidsinstrumenten in kaart te brengen, is elk verticaal balkje opgesplitst in de verschillende belastingen en uitkeringen. De lichtblauwe balk bijvoorbeeld toont het effect op de koopkracht van veranderingen in de personenbelasting. Die zijn duidelijk positief. De paarse balkjes tonen het effect van veranderingen in BTW en accijnzen. Die hebben de koopkrachttoename deels uitgehold. De lijn met de witte cirkeltjes geeft het netto-effect van alle veranderingen weer.

De figuur bevestigt dat de veranderingen in belastingen en uitkeringen de koopkracht het meest verhoogd hebben voor de midden en hogere inkomens. Daar waar de gemiddelde koopkrachtstijging 3,5 % bedraagt, is dat voor het vierde deciel 3,6%, en de toename loopt op tot 4,6% voor het zevende deciel.[2]Voor de hoogste inkomens gaat de toename van de koopkracht weer wat in dalende lijn. Maar vooral de laagste drie decielen profiteren opmerkelijk minder van de beleidsveranderingen.

Omdat we heel wat vragen kregen om dit patroon te verduidelijken en te verklaren, hebben we de resultaten van figuur 1 verder opgedeeld voor individuen naar socio-economische categorieën (werkenden, werklozen, en gepensioneerden). De decielen van figuur 1 worden bevolkt door tien­duizenden mensen en gezinnen, zodat er ook binnen een deciel heel wat variatie kan optreden. Figuur 2 hieronder maakt die variatie duidelijk.

Grafiek 2: Impact van beleidskeuzes in belastingen en uitkeringen op de koopkracht voor verschillende socio-economische groepen (in % van het beschikbaar inkomen)

Noot: Decielen op basis van het equivalent beschikbaar gezinsinkomen. We meten veranderingen in koopkracht als de procentuele verandering van het beschikbaar inkomen minus de te betalen indirecte belastingen. Bron: Berekeningen met EUROMOD op basis van EU-SILC 2015 door KU Leuven en UAntwerpen.

De verticale en de horizontale as zijn dezelfde gebleven als in figuur 1. Maar we hebben nu elk deciel opgesplitst in zes subgroepen: werkenden met een laag arbeidsinkomen (minder dan 2000 euro bruto per maand), werkenden met een middelhoog arbeidsinkomen (tussen 2000 en 4000 euro bruto per maand), werkenden met een hoog arbeidsinkomen (boven de 4000 euro per maand), werklozen die het volledige referentiejaar werkloos waren (zij hebben voor het opgegeven jaar enkel een werkloosheidsvergoeding), en werklozen die minder lang werkloos waren (en voor het opgegeven jaar ook een werkinkomen hebben), en ten slotte gepensioneerden. De grootte van de cirkels geeft de grootte van de subpopulatie aan. We zien bijvoorbeeld dat het derde deciel vooral bevolkt is door gepensioneerden, terwijl het hoogste deciel vooral bestaat uit werkenden met een middel- tot hoog arbeidsinkomen. Kinderen, inactieven, zieken en invaliden hebben we hier niet weergegeven.

Figuur 2 bevestigt verschillende zaken die in het publiek debat steeds weer naar voor komen. Ten eerste: wie werkt wint aan koopkracht (de groene, rode en oranje cirkels). Bovendien is het effect groter voor de mensen met lage arbeidsinkomens (de groene cirkels). Ten tweede: werklozen die niet lang werkloos zijn, en dus via hun (meestal lage) arbeidsinkomen mee profiteren van de taxshift, winnen ook behoorlijk. Maar werklozen die lang werkloos blijven, en vooral ook de gepensioneerden, winnen amper. In de onderste drie decielen neemt de koopkracht van de gepensioneerden zelfs af.

We herhalen dat we in deze studie enkel de federale veranderingen in belastingen en uitkeringen in kaart brachten (plus de veranderingen in de kinderbijslagen). De indexsprong op de lonen is hierbij niet meegerekend. Dat maakt de werkelijke koopkrachtverandering van de werkenden natuurlijk een stuk minder groot. Voor de uitkeringen is de indexsprong wel meegerekend. Ook andere maatregelen die de koopkracht beïnvloed hebben, blijven hier uit beeld: bijvoorbeeld de afschaffing van gratis stroom en water, duurder openbaar vervoer of duurdere kinderopvang. Voor de langdurig werklozen en gepensioneerden zou dit de koopkrachteffecten bijna zeker negatief maken.

De Opiniebijdrage van ex-minister van Financiën Johan Van Overtveldt in De Tijd van 16 mei met als titel ‘de armoedecijfers lijden aan cijferarmoede’, waarin een figuur zoals bovenstaande figuur 1 gebruikt werd, was dan ook naast de kwestie. Ze vermengde onterecht de meting van armoede met analyses over hoe de impact van bepaalde regerings­maatregelen verschilt doorheen de inkomensverdeling. Uit dat laatste kan je weinig afleiden over de werkelijke evolutie van de armoede.


[1]     Beide citaten staan op p. 14 van de ‘Economische Projecties voor België – Najaar 2018” in het December 2018 nummer van het NBB Economisch Tijdschrift.

[2]     De gemiddelde koopkrachttoename bedraagt 3,5% en niet 5,2% zoals soms beweerd wordt. Dit laatste cijfer komt uit een eerste release van onze studie, maar werd onmiddellijk gecorrigeerd. De correctie staat heel duidelijk op de titelpagina van de studie zoals die online staat, en werd ook openlijk in de pers besproken (zie De Standaard 22/12/2018).

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, hoe groot is het deficit in dit land?

Kiezers die op 26 mei een weloverwogen stem willen uitbrengen, kijken vooruit naar wat de partijen beloven te doen de komende vijf jaar, en werpen hoogstwaarschijnlijk ook een blik in de achteruitkijkspiegel: wat hebben de partijen er de voorbije legislatuur van gebakken?

Voor de blik vooruit kunnen kiezers een beroep doen op partijprogramma’s en de Stemtest. Ook de puike doorrekening van (een deel) van de verkiezingsprogramma’s door het Federaal Planbureau levert heel relevante resultaten die de volgende dagen ongetwijfeld druk becommentarieerd zullen worden.

De evaluatie van de voorbije vijf jaar kwam ook al in heel wat media aan bod. Op één punt is die alvast heel eenstemmig: wat de publieke financiën betreft, zijn de verwachtingen en ook beloften absoluut niet ingelost. De ‘show me the money’-uitspraak van De Wever in de kiescampagne van 2014 komt als een boemerang terug in zijn gezicht terecht. Toch pareert de regering de kritiek, en stelt ze dat het tekort juist sterk gereduceerd is. Het tekort van de gezamenlijke overheid bedraagt in 2018 0,8% van het bbp (of ongeveer 3,6 miljard €) terwijl dat nog 3,1% (of iets minder dan 14 miljard €) was in 2014.[1] Is dat dan geen flinke prestatie misschien?

Het antwoord op deze vraag is een duidelijk ‘neen’. Maar omdat er veel geschipperd wordt met begrippen om de toestand van de publieke financiën in kaart te brengen, probeer ik hier de verwarring uit te klaren. Ik bespreek het resultaat wat betreft publieke financiën aan de hand van drie concepten: het feitelijk tekort, structurele saldo, en de houdbaarheidskloof.

Het eerste concept is het feitelijke tekort. Dat telt de inkomsten van alle overheden op en trekt er alle uitgaven van af. Het is over dit tekort dat de regering pocht dat het ‘toch veel verbeterd is’. Dat klopt. Alleen is dit concept echt geen goede indicator om beleid mee te evalueren. Wat zouden we denken van een wielertoerist die snoeft met zijn gemiddelde snelheid als hij het hele parcours forse meewind had, of vooral afdalingen voor de wielen kreeg. Nogal logisch dat zijn gemiddelde hoger ligt dan bij tegenwind, of bij een beklimming. Wel, dat is wat deze regering doet. Een (groot) deel van de daling van het tekort is te danken aan de forse rugwind van de goed draaiende economie de laatste jaren. Dat heeft een grote invloed op de inkomsten: BTW-ontvangsten stijgen, mensen verdienen meer en betalen meer belastingen en sociale bijdragen, vennootschappen maken meer winsten en betalen meer belastingen, enz. Men kan eindeloos discussiëren in welke mate de gunstige conjunctuur zelf de verdienste is van het regeringsbeleid, maar de meeste economen gaan er toch van uit dat de kleine, heel open Belgische economie vooral aangedreven wordt door de internationale conjunctuur. Banbliksems uitspreken over een oplopend feitelijk tekort bij tegenvallende conjunctuur is daarom onterecht. Maar dat zijn ook schouderklopjes voor een lager feitelijk tekort in goede tijden. Verstandige mensen weten dat, en de meeste van onze politici trouwens ook.

Om het beleid écht te evalueren, moeten we daarom het effect van de mee- of tegenwind neutraliseren in de cijfers. Dat is geen eenvoudige oefening, maar gebeurt al vele jaren door zowel Federaal Planbureau, Nationale Bank, en Europese Commissie. Dit tweede tekort (of soms ook overschot) wordt het structureel saldo genoemd, omdat het een betere weergave is van de onderliggende, blijvende factoren die inkomsten en uitgaven bepalen. Om in de metafoor van de wielrenner te blijven: het meet zijn of haar onderliggende vermogen of wattage in ‘zuivere’ omstandigheden, zoals op een fiets in een sportlabo. Ook hier is er veel discussie hoe je het effect van de conjunctuur juist weghaalt uit de feitelijke cijfers. Voor de economie hebben we immers geen sportlabo zoals voor de wielrenner. Maar als we het jaar na jaar op dezelfde manier doen, dan krijgen we toch een reeks die beter te vergelijken is doorheen de jaren. Dat is wat ik hieronder toon in Grafiek 1.

Grafiek 1: Het structureel tekort in % van het bbp – plannen versus realisatie

Bron: Jaarverslag Nationale Bank 2018; prognoses 2019-2022 uit HRF advies maart 2019; en Stabilisatieprogramma april 2019.

De volle rode lijn geeft het structurele tekort van 2015 tot 2018 weer in % van het bbp. Deze vier cijfers zijn dus ‘wat de regering ervan gebakken heeft’. De rode stippellijn geeft de meest recente prognose weer van dit structureel tekort voor de volgende jaren, bij constant beleid. De blauwe stippellijnen geven de ‘plannen’ weer die de regering elk jaar gemaakt heeft voor de volgende vier jaar. Het betreft hier meer dan ‘loze beloften’, maar wel degelijk harde plannen die elk jaar voorgelegd worden aan de Europese Commissie in de vorm van een Stabilisatieprogramma (vandaar de afkorting SP). De blauwe blokjes van 2015 tot 2018 met legende ‘SP 2015’ geven bv. weer dat de regering in het Stabilisatieprogramma van 2015 voorzag dat het structureel tekort zou teruggebracht worden van 2% in 2015 naar 1,3% in 2016, naar 0,6% in 2017 en naar een evenwicht in 2018.

Deze figuur is veelzeggend. De regering bleef steevast onder de planning en schoof haar zelf geformuleerde doelstelling jaar na jaar voor zich uit. Dat laatste komt tot uiting door de horizontale verschuiving naar rechts van de lijnen die de planning weergeven. Wat realisaties betreft is het verschil vooral in 2018 nog groter geworden. Het structureel tekort bedraagt 1,5% van het bbp (of 6,8 miljard euro), terwijl in 2015 en 2016 nog een structureel evenwicht beloofd werd in 2018. Maar zelfs t.o.v. de planning uit het laatst ingediende Stabilisatieprogramma in april 2019 (donkerblauwe SP 2019 lijn), of t.o.v. de – nooit gestemde – begroting van oktober 2018 (het groene blokje van -0,9% bbp) zal het resultaat veel slechter zijn. Ten tweede voldoen we zeker niet aan de criteria die opgelegd worden door de Europese Commissie. Ten derde zien de prognoses voor dit en de volgende jaren er nog veel belabberder uit. In 2021 gaan we bij constant beleid zelfs naar een tekort van 2,4% van het bbp (of een kleine 11 miljard euro).

Grafiek 1 is de figuur die moet gebruikt worden om de verwezenlijkingen wat betreft openbare financiën te beoordelen. En iedereen die naar deze figuur kijkt kan niet anders dan besluiten: dit is een zware buis. Los van het feit of men een structureel evenwicht wenselijk acht, kan niemand om het feit heen dat de beloften niet werden ingelost. Erger zelfs, men heeft de toekomst fel ‘belast’. Dit wordt in grote mate verklaard door het feit dat deze regering helemaal geen ‘hervormingsregering’ was. De kern van haar beleid wat openbare financiën betreft, bestond uit een heel traditionele belastingverlaging à la Reynders in het begin van de jaren 2000. Dat men het verkocht gekregen heeft als een ‘taxshift’ zegt meer over de belangrijke rol van het narratief en de framing in het politieke discours, dan over de inhoud van het beleid. Deze belastingverlaging in zowel de personen- als vennootschapsbelasting heeft de inkomsten structureel verminderd en werd elders onvoldoende gecompenseerd door andere inkomsten of minder uitgaven. Wat men ook moge beweren.

De laatste verdedigingslinie waarop de regering zich terugtrekt als ze geconfronteerd wordt met dit slecht rapport, is dat dit structureel tekort veel minder belangrijk is dan de Europese Commissie wil doen geloven. Er is de laatste jaren inderdaad veel – academische – inkt gevloeid over zin en onzin van de begrotingsnormen uit het Europees begrotingskader. Maar waar er zeker wel overeenstemming over is, is dat we niet willen dat de overheid een Ponzi-schema zou inrichten. Ponzi was de man wiens naam gelinkt werd aan wat ook wel een “piramidespel” genoemd wordt: je leent om intresten te betalen aan je beleggers. Met een Ponzi-schema kunnen charlatans op korte termijn heel hoge rendementen beloven aan goedgelovige beleggers. Tot de zeepbel barst natuurlijk. Er is een manier om inkomsten en uitgaven van de overheid om te zetten in een indicator die aangeeft of we al dan niet in zo een onhoudbaar Ponzi-schema terecht gekomen zijn. Dat is de derde indicator: het houdbaarheids­tekort. Die indicator is mogelijks nog moeilijker te berekenen dan het structureel saldo, omdat alle inkomsten en uitgaven op de heel lange termijn in kaart worden gebracht. Maar aangezien goed beleid probeert vooruit te zien, ook op de heel lange termijn, is het voor mij wel de belangrijkste indicator om het beleid wat betreft openbare financiën te beoordelen. Een beleidskeuze om de pensioenleeftijd in 2030 te verhogen tot 67 jaar komt immers niet tot uiting in het feitelijk tekort dat we nu waarnemen, maar ook niet in het structureel tekort. Die beleidskeuze wordt wél zichtbaar in de houdbaarheidsindicator.

Deze houdbaarheidsindicator, die zowel ons Federaal Planbureau als de Europese Commissie berekent, krijgt meestal weinig tot geen aandacht in het publieke debat. Dat was ook het lot van een recent verschenen studie van het Federaal Planbureau waarin die indicator vergeleken wordt over een heel lange periode, m.n. sinds het midden van de jaren negentig. Ik stel het belangrijkste resultaat van deze studie voor in grafiek 2.

Grafiek 2: Houdbaarheidskloof in % bbp in opeenvolgende projecties van het Federaal Planbureau

Bron: Denil, Frogneux en Saintrain (2019), Twintig jaar beleid rond houdbare Belgische overheidsfinanciën, Federaal Planbureau, Planning Paper 117.

De zwarte lijn geeft de houdbaarheidskloof weer. Die wordt uitgedrukt als % van het bbp en als volgt geïnterpreteerd. Als de houdbaarheidskloof 6% van het bbp bedraagt, dan moet ons begrotingssaldo permanent met 6% verbeteren om niet in een Ponzi-schema terecht te komen.[2] Zonder in detail te treden bestaat de houdbaarheidskloof uit twee delen: het stuk dat we meeslepen uit het verleden (de blauwe balkjes) en de toekomstige verwachte inkomsten en uitgaven (de oranje balkjes). De zwarte lijn is de som van beide. De horizontale as is geen echte tijdsas, maar geeft het moment weer waarop de berekening gepubliceerd werd.

Ook deze figuur is sprekend. Onze houdbaarheidskloof bedraagt nu iets minder dan 3%. Dat betekent dus dat we, rekening houdend met alle beleidsmaatregelen die ook doorwerken op heel lange termijn, zoals de pensioenhervormingen, maar ook met de verwachte demografische veranderingen en de verwachte inkomsten en uitgaven, we de uitgaven met 3 % van het bbp (of 13,5 miljard) zouden moeten verminderen, de belastingen met 3 % van het bbp (of 13,5 miljard) zouden moeten verhogen, of een combinatie van beide, om niet in een onhoudbaar Ponzi-schema terecht te komen. Ook deze 3% ligt lager dan de 4% van eind 2014. Maar de daling van de houdbaarheidskloof van het maximum van 6% was al ingezet tijdens de vorige regeerperiodes. En er heeft zich een overduidelijke knik voorgedaan tijdens deze regeerperiode. Sinds 2015 is deze indicator van een dalende in een stijgende lijn veranderd, en vooral de toename van de oranje balkjes, die toekomstige inkomsten en uitgaven weergeven, is heel prominent. Ook hier liggen niet gefinancierde belastingverlagingen aan de basis.

Beide grafieken tonen voor mij aan dat het rapport van de regering wat betreft de openbare financiën niet kan en mag goedgepraat worden. Er is noch een structureel, noch een vooruitziend beleid gevoerd. Om een boutade die aan regeringszijde zelf gebruikt werd, te parafraseren: áls de tanker al gekeerd is, dan ligt hij nu wel met zijn neus in de verkeerde richting.

 

[1] Als ik procenten van het bbp omzet in miljard €, dan doe ik dat steeds met het bbp van één zelfde jaar, dat maakt de vergelijking gemakkelijker. Ik kies hier voor het bbp van het jaar 2018, dat volgens de laatste raming 450 miljard € bedraagt. De bedragen in miljarden zijn dus niet de feitelijke nominale bedragen van dat jaar.

[2] Het betreft hier het primair saldo, d.w.z. het saldo zonder de intrestlasten.

Reactie op column Ive Marx over ongelijkheidsstudies

Vorige donderdag en vrijdag woonde ik een workshop – geen conferentie – bij in de Paris School of Economics. In dat academisch hoog aangeschreven instituut heeft Piketty het ‘World Inequality Lab’ ondergebracht. Deze onderzoeksgroep coordineert op systematische wijze het data-werk, oorspronkelijk in gang gezet door de vorig jaar overleden en door heel velen betreurde en geprezen Britse econoom Tony Atkinson. Die wou verandering in ongelijkheid in zoveel mogelijk landen in kaart te brengen.

Het was een uitermate efficiënte workshop van donderdagmiddag 13u tot vrijdagmiddag 13u. Ik was er de enige Belg. Er werden een dertigtal papers voorgesteld en grondig bediscussiëerd. Ik heb heel veel bij geleerd. Niet in het minst met het oog op het dichten van de kloof waar België nog steeds tegen aankijkt bij de nieuwe ontwikkeling van het opstellen van DINA’s. Dat mooie acroniem staat voor “Distributional National Accounts”, of: het creëren van data-reeksen zoals het alom bekende BBP (hét basisconcept van de Nationale Rekeningen), maar dan uitgebreid tot de verdeling van de taart i.p.v. enkel maar de grootte van de taart.

Jammer dan ook dat ik in een column van collega Ive Marx (in De Standaard op maandag 21 mei 2018: klik hier) de ene na de andere populistische sneer te lezen kreeg over deze bijeenkomst waar hij zelf niet aanwezig was. Hij had het over “nog maar eens een wetenschappelijke conferentie over ongelijkheid”, “een florissante industrie” die rapporten produceert “op glanzend papier met professioneel artwork”. De aanwezigen schuift hij sarcastisch in de schoenen dat ze “zoveel airmiles sprokkelen dat ze eerste klas kunnen vliegen”. Bij die aanwezigen waren Branko Milanovic, die niet lang geleden een lezing gaf op Universiteit Antwerpen; Martin Ravallion, die een ere-doctoraat kreeg van Universiteit Antwerpen; Piketty zelf, die zowat de erfgenaam is van de ook door Marx en zijn collega’s bejubelde Tony Atkinson; François Bourguignon één van dé academische collega’s van Tony Atkinson. Ik vermoed – en hoop – dat al deze gerenommeerde collega’s, die de laatste jaren zoveel hebben bijgedragen tot nieuwe inzichten in armoede en ongelijkheid op wereldvlak, de column in de Standaard niet gelezen hebben of zullen lezen. Gelukkig maar. Want over de inhoud van de workshop van vorige week… niets. Terwijl het een broodnodige eenvoudige workshop was om de verschillende mogelijke methodes, waarmee we zicht proberen te krijgen op een complex fenomeen, op elkaar af te stemmen. Tussen onderzoekers aan universiteiten, de OECD en de Wereldbank.

In elk geval: voor België zijn er nog geen “nationale rekeningen met verdeling”. Dat werd in Parijs trouwens nog maar eens betreurd, ook door de aanwezige OESO-delegatie. Ook Marx heeft die niet, en wij zullen ons best blijven doen om daar verandering in te brengen, al was het maar om België niet verder achterop te laten hinken in de internationale ontwikkelingen op dit gebied. Het Centrum voor Sociaal Beleid heeft belangrijk werk verricht wat betreft armoede. Maar Marx doet de waarheid – en zijn eigen hardwerkende collega’s – geweld aan als hij suggereert dat we met zekerheid zouden weten of de ongelijkheid in België toe- of afneemt. Dat weten we niet. Ook niet met de studies van het centrum voor Sociaal Beleid, want die gebruiken andere concepten dan deze die nu gangbaar zijn in internationale studies. Niet langer dan twee weken geleden hebben een ex-collega van Marx (collega Wim Van Lancker), en ikzelf onze verschillende resultaten naast elkaar gelegd op een publiek seminarie in Leuven. Iedereen daar aanwezig kon enkel concluderen dat er nog heel veel – interessant – werk aan de winkel is. En zoals het in wetenschap betaamt: elk nieuw onderzoeksresultaat roept ook nieuwe vragen op. Ik hoop dat de gemotiveerde collega’s van Marx aan het Centrum voor Sociaal Beleid de schimpscheuten en ondoordachte sneren naar hun eigen onderzoeksveld naast zich neer kunnen leggen. Dan weten we binnenkort misschien weer iets beter waar we in België aan toe zijn op het vlak van ongelijkheid, armoede en welvaart.

Waarom een vlaktaks nog steeds geen goed idee is

Verschenen op de Opiniepagina van De Morgen op 4 november 2017.

Daar is het voorstel voor een ‘vlaktaks’ weer. Open VLD wil de oplopende aanslagvoeten in de personenbelasting (nu van 25 tot 50%) vervangen door één enkel tarief van 30%. Daarbij twee opmerkingen om het voorstel recht te doen. Eén: het voorstel kadert in een veel bredere hervorming dan enkel maar een herstructurering van de tarieven van de personenbelasting. En twee: een deel van het inkomen blijft vrijgesteld, wat feitelijk neerkomt op een nultarief voor lage inkomens. Daardoor zijn er eigenlijk twee tarieven: 0% en 30%. Dat zorgt ervoor dat men nog steeds meer belastingen betaalt naarmate men rijker wordt. Toch overtuigt het pleidooi van Rutten voor deze vlaktaks niet. En wel om drie redenen.

Ten eerste gaat Rutten er prat op dat het tarief dat ze voorstelt “niet budgetneutraal is”. In mensentaal: het kost handenvol geld, tussen de 15 en 20 miljard euro. Daardoor zouden – aldus Rutten – de argumenten die in de vele studies die al aan de vlaktaks gewijd zijn niet geldig zijn voor haar voorstel, want “iedereen wint”. Degelijke studies leggen inderdaad altijd “budgetneutraliteit” op voor ze een voorstel evalueren. Daar is een goede reden voor. Als de overheid 15 miljard minder inkomsten heeft, dan zal iemand daarvoor opdraaien. Ofwel omdat andere belastingen verhoogd worden, ofwel omdat er bespaard wordt, in welke vorm dan ook. Mijn punt is hier niet dat je niet mag pleiten om het fameuze ‘overheidsbeslag’ omlaag te brengen. Wel dat je dan ook de winnaars en vooral verliezers daarvan in kaart moet brengen voor je een uitspraak doet als ‘iedereen wint’. In die zin is dit voorstel in hetzelfde bedje ziek als de tax shift van twee jaar geleden, waarbij de lasten op arbeid verlaagd werden. Ze werden niet gecompenseerd door een equivalente belastingverhoging of uitgavenreductie. Er werd een gat geslagen van 6 miljard. De ‘tax shift’ is verhullend taalgebruik voor iets wat geen ‘shift’ of verschuiving is, maar gewoon een belastingverlaging. En zolang niet duidelijk is wie daarvoor zal opdraaien, is het beeld van winnaars en verliezers vertekend.

Die beschouwing over de taxshift brengt me bij mijn tweede punt: misschien zal de belastinghervorming zichzelf wel terugverdienen? Ook daar loont het om studies niet zomaar naast zich neer te leggen. Alle studies wijzen uit dat dit terugverdieneffect er wel is, maar dat het heel beperkt is. Zelf schatten wij het terugverdieneffect van de taxshift van twee jaar geleden op ten hoogste 20%. Er blijft dus een kost van 80% van het oorspronkelijke bedrag. Denken dat dit soort maatregelen zichzelf financiert is dagdromen.

Maar het derde tegenargument is het belangrijkste. Er is een goede reden waarom we de tarieven in de personenbelasting laten toenemen met het inkomen. Dat is omdat de progressieve personenbelasting gebruikt wordt om te herverdelen van wie veel verdient naar wie minder verdient. Daarin is het opzet van de personenbelasting trouwens verschillend van de sociale verzekeringen. Daar nemen de premies in principe niet toe met het inkomen. Deze progressiviteit in vraag stellen via een vlaktaks mag. Maar dan gebeurt dat best expliciet. Dat is nu niet het geval. Als je wél wil blijven herverdelen via de personenbelasting dan wijzen alle – Belgische en internationale – studies uit dat de vlaktaks daarvoor een veel te bot instrument is. Als je even veel wil herverdelen via een vlaktaks moet je een heel hoge belastingvrije som instellen. Maar dat is budgettair enkel haalbaar als je het tarief van de vlaktaks ook hoog optrekt (mijn vroegere berekeningen tonen aan: tot zelfs 55%, zie bvb. Tabel 6 in Decoster en De Swerdt 2008). Maar met dit hoge tarief gooi je natuurlijk het kind met het badwater weg. Het zorgt zelfs voor schadelijker economische effecten dan het huidige systeem.

Neen, een vlaktaks is en blijft een achterhaald idee. Dat betekent niet dat een grondige evaluatie van onze personenbelasting niet aan de orde is. Het is de verdienste van het Open VLD-ballonnetje dat dit eindelijk eens gebeurt buiten een begrotingsronde. Zo hoort het, en zo had het al lang moeten gebeuren. Alleen vrees ik dat die grondige doorlichting eerder zal wijzen in de richting van het in vraag stellen van de talloze aftrekken en verminderingen, en van een verdere verlaging van de lasten op arbeid, gecompenseerd door belastingen op bepaalde vormen van vermogensinkomen, dan in de richting van een vlaktaks.

Dromen zijn echt wel bedrog (met W. Sas over het rapport “Financiële stromen in België 2000-2020)

Een ingekorte versie van dit stuk verscheen op de Opiniepagina van De Standaard op 11 juli 2017.

Vorige vrijdag heeft Minister-President Bourgeois onze studie “Interregionale financiële stromen in België van 2000 tot 2020” voorgesteld aan de pers. We hebben die studie uitgevoerd in opdracht van de ‘Studiedienst van de Vlaamse Regering’. Er doen vele cijfers de ronde over de ‘financiële stromen’ van Vlaanderen naar Wallonië (van rond de 5 miljard per jaar, tot maar liefst 16 miljard per jaar). De Vlaamse Regering wou duidelijkheid op basis van objectievere meetmethoden. We hebben de opdracht vorig jaar aanvaard om één reden: onze overtuiging dat het publieke debat erbij wint als we de meetmethode eindelijk eens duidelijk uitleggen. Enkel dan wordt duidelijk wat die financiële stroom wel en vooral niet is.

Uit de manier waarop N-VA communiceert over de conclusies van ons rapport leiden we af dat we (nog) niet geslaagd zijn in onze opdracht. De voorstelling alsof er een jaarlijkse cheque van Vlaanderen naar Wallonië zou gaan, is onjuist. En als Minister-President Bourgeois dagdroomt over ‘wat we allemaal zouden kunnen doen indien die geldstroom niet naar Wallonië zou vloeien, maar in Vlaanderen zou blijven’, dan is het precies dat: dromen.

De door ons berekende financiële stroom is geen enveloppe geld. Het bedrag staat ook niet in één of andere begroting. De berekende financiële stroom tussen de gewesten Vlaanderen, Wallonië en Brussel is een specifieke, politiek gekozen, manier om naar verschillen tussen mensen te kijken. Sommige mensen hebben een hoger inkomen dan anderen en we kiezen er voor om rijken gemiddeld meer belastingen te laten betalen dan mensen met een lager inkomen. Sommige mensen werken, andere zijn werkloos. De eersten betalen sociale bijdragen, de anderen niet. Zij ontvangen een werkloosheidsuitkering. Net zoals gepensioneerden niet meer bijdragen, maar ontvangen. Omdat ze gepensioneerd zijn.

Financiële stromen worden berekend door de betaalde belasting, bijdrage of uitkering voor elke burger te vergelijken met het gemiddelde. Als jij meer betaalt dan het gemiddelde, dan “draag je bij”. Als je minder betaalt dan het gemiddelde, dan ben je “ontvanger”. Door de keuze van ons belasting en sociale zekerheidsysteem zijn er miljoenen kleine financiële stroompjes tussen alle burgers van dit land. Van rijke Vlamingen naar arme Brusselaars, maar ook van rijke Walen naar arme Vlamingen, van rijke West-Vlamingen naar arme West-Vlamingen, enz. In de benadering van ‘financiële stromen tussen de gewesten’ worden die miljoenen micro-stroompjes opgeteld per gewest. Zo komen we, bijvoorbeeld,  tot het resultaat dat de gemiddelde Vlaming jaarlijks 283€ meer personenbelastingen betaalt, en de gemiddelde Waal 272€ minder bijdraagt dan gemiddeld. Dat is wat de financiële stroom tussen de gewesten genoemd wordt. We doen hetzelfde voor de sociale bijdragen (gemiddeld draagt de Vlaming €402 meer bij), en voor de sociale uitkeringen . In 2017 komen we zo tot een financiële stroom van 6,3 miljard euro die Minister-President Bourgeois blijkbaar doet dromen.

Deze droom is bedrog. Want hoe kunnen we die financiële stroom laten verdwijnen? Ten eerste door voor een ander belastingsysteem te kiezen. In plaats van de betaalde belasting te laten toenemen met het inkomen, betaalt iedereen hetzelfde bedrag. Er zullen dan geen stromen meer zijn in de personenbelasting. Niet tussen het gemiddeld rijkere Vlaanderen en het gemiddeld armere Wallonië. Maar ook niet tussen rijke en arme Vlamingen.

Weinigen nemen het voorstel van een forfaitaire belasting ernstig. Dat toont aan dat men het huidige progressieve systeem van personenbelasting verkiest. Maar dit betekent natuurlijk dat de berekening van financiële stromen door ze te vergelijken met het gemiddelde sowieso een politieke keuze is. Zouden we dan niet beter als ijkpunt de bestaande personenbelasting gebruiken i.p.v. te vergelijken met het gemiddelde? Misschien wel. Maar… dan zijn er sowieso geen financiële stromen meer. Net dezelfde redenering kan opgezet worden voor de sociale bijdragen en de sociale uitkeringen. Als we ze afzetten, niet tegenover de gemiddelde sociale bidjrage, of tegenover de gemiddelde sociale uitkering, maar wel tegenover de redenen waarom we de sociale zekerheid hebben opgezet, dan verdwijnen de financiële stromen.

Een tweede manier om de transfers weg te krijgen is dat Vlaanderen gemiddeld even arm wordt als Wallonië (of een even lage tewerkstellingsgraad kent), of dat Wallonië gemiddeld even rijk wordt (of een even hoge tewerkstellingsgraad bereikt). In het eerste geval zal Minister-President Bourgeois zeker niet over extra middelen beschikken. In het tweede geval misschien een klein beetje door afgeleide affecten van een veel betere economische situatie. En daar zijn Vlamingen én Walen mee gebaat. Maar in geen geval ligt er ergens een enveloppe van 6,3 miljard € te wachten.

Er is nog een andere manier om de droom van Minister-President Bourgeois te lezen. Sommigen berekenen de financiële stromen door na te gaan hoeveel Vlaanderen zou mogen of kunnen uitgeven, als het over alle belastingen en bijdragen zou beschikken betaald door mensen die in Vlaanderen wonen. We hebben ook dit – al even politieke perspectief – mee opgenomen in alle berekeningen in de studie. Maar het is van twee dingen één: als dit het verkozen perspectief is, dan bedraagt de financiële stroom 5,6 miljard (of 863€ per hoofd), en geen 7 miljard. Maar blijkbaar was er slechts één leidraad bij de N-VA-lezing: het bedrag moest zo hoog mogelijk zijn.

De kinderbijslaghervorming en het effect op armoede in vijf vragen

1. Hoe zien de kinderbijslagen eruit nu en na 1/1/2019?

Situatie vóór 1/1/2019 Vanaf 1/1/2019
 
  Kind geboren
vóór 1/1/2019
Kind geboren
vanaf 1/1/2019
Basistoeslagen: Bedragen stijgen sterk
in de rang
Blijft behouden Gelijk bedrag per kind
= pijler 1
Leeftijdstoeslagen: Stijgt met leeftijd Blijft behouden /
Sociale toeslagen: Langdurig werklozen, gepensioneerden, zieken en invaliden, en alleenstaanden met een laag inkomen Uitbreiding naar alle gezinnen beneden de inkomensgrens Nieuwe sociale toeslagen, met toename in de rang

 

= pijler 2
(hoort ook zorgtoeslag bij)

Geboortepremie: Hoger bedrag voor 1e kind dan volgende / Elk kind 1100 €
Schoolpremie: Klein bedrag, loopt op met leeftijd Overgang naar
nieuw systeem
Lagere bedragen, maar hogere bedragen
tussen 3 en 5 jaar
= universele participatiepremie
Schooltoelagen: Gezinsgemoduleerde inkomens­grenzen Overgang naar
nieuw systeem
Verhoogde bedragen & verbreding van de grenzen
= selectieve participatiepremie

2. Hoe berekenen we de impact van de hervorming van de kinderbijslag?

  • We simuleren het effect op het beschikbaar inkomen van een representatief staal van de bevolking (de SILC-enquête).
  • Voor alle gezinnen in de steekproef berekenen we het beschikbaar inkomen voor de verandering van het beleid, en het beschikbaar inkomen na de verandering. Het verschil tussen beide is winst of verlies t.g.v. de hervorming.
  • De nulmeting legt vast wat we verstaan onder het systeem “voor de hervorming”.
  • We maken een onderscheid tussen twee groepen gezinnen: enerzijds alle “bestaande” gezinnen, anderzijds “nieuwe” gezinnen met enkel maar kinderen die geboren zijn na 1/1/2019.
  • Om de armoede te meten gebruiken we de armoedegrens die vastgelegd is op 60% van het mediaan equivalent inkomen. We gebruiken de OESO-equivalentieschaal om het beschikbaar inkomen aan te passen voor gezinsgrootte.
  • Armoede-incidentie meet hoeveel gezinnen een beschikbaar inkomen hebben dat onder de armoedegrens valt. De armoedekloof meet hoe ver het inkomen onder de grens ligt.

3. Waarin verschilt onze studie van de studie van het CSB?

  • We maken gebruik van dezelfde techniek van microsimulatie, zoals hierboven besproken.
  • We gebruiken administratieve bronnen om de SILC gewichten aan te passen. Daardoor kunnen we de SILC-informatie beter afstemmen op de veel nauwkeuriger admini­stratieve informatie.
  • We nemen ook de effecten van de hervorming van de schooltoelagen mee op (de selectieve participatietoeslagen)
  • We gebruiken 2016 als basisjaar.

4. Neemt de armoede toe of af?

  • We maken een onderscheid tussen de armoede-incidentie en de armoedekloof.
  • De armoede-incidentie, dat is het % van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft, neemt licht af.
    • Ze daalt met 0,9 procentpunt voor de nieuwe gezinnen: in de nulmeting zijn 8,6% van deze gezinnen arm, met de nieuwe regeling zijn dat er 7,7%. Het effect verschilt per gezinstype en is meest uitgesproken voor gezinnen met één kind. Voor de bestaande gezinnen is de daling beperkt tot 0,5 procentpunt.
    • In absolute cijfers komt dit erop neer dat van de 118407 kinderen die onder de armoedegrens leven, er 3588 (of 3%) uit de armoede getild worden als we de berekening doen voor bestaande gezinnen; en 10764 (of 10%) als we de berekening doen alsof alle gezinnen “nieuwe gezinnen” zijn.
    • Op gezinsniveau leven er in de nulmeting 81113 gezinnen onder de armoedegrens. Dat aantal daalt door de hervorming met 4577 (of 6%) als we ze beschouwen als bestaande gezinnen, en met 12601 (of 17%) als we ze beschouwen als nieuwe gezinnen.
  • De armoedekloof meet hoe ver het gemiddeld inkomen van een arm gezin onder de armoedegrens ligt en bedraagt 471 euro per maand in de nulmeting. De armoedekloof daalt: arme gezinnen zullen minder arm zijn als gevolg van de hervorming. De armoedekloof neemt af met 63 euro voor nieuwe gezinnen en met 55 euro voor de bestaande gezinnen. Ook hier verschilt het effect per gezinstype.

5. Zijn alle vragen beantwoord?

  • Neen, we hebben bijvoorbeeld geen gemengde gezinnen gesimuleerd: gezinnen met kinderen geboren voor én na de hervorming.
  • Voor sommige subgroepen is de samplegrootte te klein om statistische verbanden te onderzoeken.
  • We hebben het effect op de werkincentieven nog niet geanalyseerd. Selectiviteit heeft daar een invloed op.

Het akkoord over de financieringswet is geen lijk uit de kast

Co-auteur: Willem Sas (doctoreert over ‘Fiscal Federalism’ aan de KU Leuven)

In een recent uitgebrachte studie (Decoster en Sas, 2012) analyseren we de nieuwe financieringswet. We betreuren dat onze studie in een groot deel van de berichtgeving gekaderd werd in de vraag of “N-VA nu gelijk had met hun kritiek”. Daarover gaat de studie niet. Het is op zich al erg dat de vraag in Terzake aan Wouter Beke “of er nu nog lijken uit de kast zullen vallen” haaks staat op de conclusie van onze studie. Maar minstens even erg is dat ze een “framing” verraadt die het moeilijk, zoniet onmogelijk maakt resultaten van onderzoek te populariseren en bruikbaar te maken voor het publiek debat.

Daarvoor zien we twee redenen. Ten eerste worden we niet geholpen door media die alles in het keurslijf van “winnaar-verliezer” willen proppen. We hebben het hier dan niet over de budgettaire winst of verliesrekening voor de diverse overheden. Wel over de voorstelling, in sommige media niet zonder enig leedvermaak, dat er door onze studie plots iemand ‘ongelijk’ zou hebben. Om het met het adagium van de Financial Times te zeggen: wij hebben deze analyse gemaakt ‘without fear, and without favour’. Het is écht een verschraling van het publiek debat de resultaten voor te stellen als de uitslag van een voetbalmatch.

Ten tweede hebben we weer eens onderschat hoe moeilijk het is om duidelijk te maken dat wetenschappers geen sluitende antwoorden geven en ook niet moeten geven. Wij hebben niet voorspeld dat Vlaanderen verlies zal lijden met de nieuwe financieringswet. We hebben geprobeerd bloot te leggen wat de belangrijke parameters zijn die de toekomstige inkomstenstromen zullen bepalen. Daar helderheid over scheppen is van groot belang voor de politieke en publieke discussie buiten het gesloten cenakel van de onderhandelaars. We kennen de aversie voor nuance in een dergelijk politiek gevoelig debat. Maar dat kan nooit een reden zijn om de nuance zelf achterwege te laten. We doen hier nog een poging.

In de studie beantwoorden we twee vragen: (1) Biedt de nieuwe financieringswet een antwoord op de vooraf geformuleerde (politieke) verzuchtingen? (2) Zo ja, worden de onvermijdelijke verliezen en winsten volgend uit het nieuwe systeem bij alle betrokken partijen beperkt tot een minimum? Ons antwoord op beide vragen is positief. We vinden de hervorming dan ook een goede her- vorming. We hebben de eerste vraag verder uitgespit als volgt.

Nam de fiscale autonomie toe? Ja, en fors. Voor de Gewesten is de fiscale autonomie toegenomen van 8,8 miljard naar 19,6 miljard €. Van de totale inkomsten voor de Gewesten is nu 74,5% afkomstig uit eigen belastingen, daar waar dat voorheen 43% bedroeg.

Is er (nog) perverse en/of excessieve solidariteit? Neen. Ten eerste werd de ‘ontwikkelingsval’ – waarbij een armere regio er geen belang zou bij hebben om het beter te doen – uit de nieuwe financieringswet verwijderd. En voor hen die vonden dat het solidariteitsmechanisme te genereus was: het is nu beperkter in omvang. Berekend voor 2012 daalt de solidariteitsterm voor Wallonië van 241 € per hoofd naar 190 €; voor Brussel van 295 € naar 232 €. Op dit vlak nam de responsabilisering wel degelijk toe.

Vanwaar dan onze vaststelling dat de responsabilisering licht is gedaald? Dat komt omdat responsabilisering soms ook uitgedrukt wordt als de hoeveelheid regionale inkomsten die afhangen van de economische prestaties van een regio (de ‘juste retour’). We benadrukken in onze studie dat die vorm van responsabilisering al hoog lag in de oude financieringswet (62.5%). We gaan dus niet akkoord (vroeger niet, en nu nog niet) met de stelling dat het oude systeem onvoldoende responsabiliseerde. In ieder geval, in de nieuwe financieringswet verhoogt het overgehevelde arbeidsmarktbeleid de zo gedefinieerde responsabilisering sterk wanneer men het uitdrukt in miljarden. Alleen in procent uitgedrukt daalt de responsabilisering licht. Dat komt omdat het grootste stuk van de nieuwe overgedragen bevoegdheden naar de Gemeenschappen gaat. Die worden niet gefinancierd op basis van economische prestaties zoals de Gewesten, maar hoofdzakelijk op basis van bevolkingsaantallen. We leggen in onze tekst met nadruk uit waarom we vinden dat er grenzen zijn aan de ‘juste retour’ benadering. We geven goede redenen waarom niet alles verdeeld moet worden met de sleutel van de personenbelasting, en hebben daarom altijd gepleit dat het evenwicht tussen ‘juste retour’ en ‘behoeften’ behouden blijft. We vinden het positief dat dit zo blijft in de nieuwe financieringswet.

In de berichtgeving kwam bovenstaande evaluatie slechts heel beperkt aan bod. Dat vinden we jammer. Temeer omdat dit gebeurde door één paragraaf van onze studie over te belichten (de laatste). Daarin onderzochten we hoe de onderhandelaars ervoor gezorgd hebben dat ze die belangrijke, door Vlaanderen gewenste, hervormingen konden doorvoeren zonder sommige betrokken partijen zwaar in het verlies te duwen. Deze voorwaarde werd door alle betrokken partijen, ook de N-VA, onderschreven, en we vinden dat men daar met brio in geslaagd is.

Onze simulaties bevestigen wat ook de onderhandelaars al wisten: de mate waarin de opbrengst van de personenbelasting groeit als de economie groeit (de elasticiteit) speelt een cruciale rol. Maar ongeacht de elasticiteit is het verschil in winst of verlies tussen de regio’s onderling verwaarloosbaar. De uitspraak van De Wever toen het akkoord bekend werd “de Vlaming is armer wakker geworden”, met de suggestie dat de transfers naar Wallonië toenemen, blijft daarom flagrant fout. Enkel het Brussels Gewest wint, en de vraag hoeveel extra financiering Brussel daad- werkelijk nodig heeft komt in onze studie niet aan bod.

De Vlaming is ook niet armer geworden om een tweede, belangrijke reden. In een scenario met een lagere elasticiteit dragen Vlamingen en Franstaligen bij tot de vrijwaring van de federale financiën. Maar diezelfde Vlaamse en Waalse/Franstalige burgers maken natuurlijk zelf ook deel uit van de federatie, die hun pensioenen uitkeert, de sociale zekerheid garandeert en belangrijke publieke goederen verstrekt. Eventueel regionaal verlies kan in die zin dus nooit losgekoppeld worden van de winst geboekt door de federale overheid. Te meer omdat de vergrijzing harder zal toeslaan in Vlaanderen. Door dit keer op keer toch te doen, riskeert men opnieuw een verarming van het publieke debat. En dat is zeker een verlies.

Deze opinie verscheen in De Standaard op 19 januari 2012. 

[Download this opinion]

Het akkoord over de financieringswet is een goed akkoord

Co-auteur: Willem Sas (doctoreert over ‘Fiscal Federalism’ aan de KU Leuven)

Ook na het akkoord over BHV overheerste scepsis over de verdere slaagkansen van de regeringsonderhandelingen. ‘Een akkoord over de Financieringswet, dat zou pas een zware dobber worden’, zo redeneerde men. Want, ‘dat gaat over geld, heel veel geld’. En zie, ook dat is nu gelukt. Dat is meteen ook de belangrijkste verdienste: in de praktijk aantonen dat aan politiek doen iets anders is dan herhalen dat ‘niets nog werkt’, maar hard labeur om tegenstrijdige belangen en opvattingen te vertalen in beleid. Daarom is er voor ons weinig discussie: na 468 dagen, gegeven de polarisatie, en gegeven de internationale economische toestand, is het absoluut goed dat er een akkoord is. Maar is het ook een goed akkoord?

Een goede of geslaagde hervorming steunt op twee pijlers: enerzijds behoud je wat goed is en werkt; anderzijds probeer je te verbeteren wat mank loopt of niet meer aangepast aan nieuwe omgevingen. Met wat we nu weten over de nieuwe Financieringswet (en dat zijn zeker nog niet alle technische details of parameters), zijn wij van oordeel dat het akkoord op beide punten slaagt. Waarom? Ten eerste behoudt men in de hervormde wet de goede zaken uit de vorige. Zoals in alle federale landen probeerde de financieringswet, van bij haar conceptie in 1989, twee criteria te rijmen om te bepalen hoeveel geld er naar de gewesten en gemeenschappen vloeit. Enerzijds is er het ‘verdienste’-criterium: geldstromen hangen af van (economische) prestaties van de regio. Een mogelijke maatstaf daarvoor zijn de opbrengsten van de personenbelasting. Als men dit criterium gebruikt krijgt een regio die meer bijdraagt aan de federale kas, ook meer terug via haar enveloppe (of dotatie). Vandaar de benaming ‘juste retour’. Anderzijds is er een ‘behoefte’-criterium: niet prestaties maar daadwerkelijke regionale noden bepalen dan hoeveel een gewest of gemeenschap krijgt. Maatstaven hiervoor zijn, bijvoorbeeld, bevolkings- of leerlingenaantallen. Het drukt de politieke keuze uit dat een inwoner in een federaal land, voor bepaalde zaken, recht heeft op dezelfde diensten, ongeacht waar hij woont. Als we vinden dat een Nederlandstalige jongere dezelfde onderwijskansen moet hebben als een Franstalige, dan komen we een vast bedrag per hoofd overeen en vermenigvuldigen dat met het aantal schoolgaande jongeren.

In de oude financieringswet maakte men de verstandige keuze om beide criteria te gebruiken. Gewestelijke bevoegdheden, die meer aanleunen bij economische factoren, werden hoofdzakelijk gefinancierd aan de hand van het ‘verdienste’-criterium. Gemeenschapsbevoegdheden, zoals onderwijs, kregen middelen hoofdzakelijk toegewezen op basis van het ‘behoefte’-criterium. De juiste dosering van de twee criteria is vanzelfsprekend een politieke keuze.

De nieuwe financieringswet behoudt de mix van beide criteria, en dat is een goede zaak. Wel vervangt men het ‘juste retour’-mechanisme van de dotaties, door fiscale autonomie. Dat wil zeggen dat de gewestelijke dotaties vervangen worden door een eigen regionale personenbelasting. Dit komt tegemoet aan de hoofdzakelijk Vlaamse politieke eis voor meer regionale fiscale autonomie. Deze regionale inkomstenbelasting neemt de vorm aan van ‘uitgebreide’ regionale opcentiemen, en daarbij is het bijvoeglijk naamwoord niet zonder belang. In de meeste gevallen is een opcentiem (bvb. de gemeentelijke) één proportionele verhoging van de belasting die door een andere overheid geheven wordt. Maar in dit geval slaat het adjectief ‘uitgebreid’ op de mogelijkheid om de opcentiemen zelfs te laten verschillen per inkomensschijf. Daarmee komen we trouwens dicht bij de door N-VA gevraagd ‘split-rate’.

De invloed van de voor Vlaanderen voordelige sleutel van de personenbelasting wordt ook nog verder versterkt. Hij wordt nu immers ook toegepast op het belangrijke bedrag (meer dan 4 miljard) van de nieuwe dotatie voor ‘tewerkstellingsbeleid’ die overgedragen wordt. Als men het huidige gebruik van die middelen regionaal opsplitst komt men aan 53% voor Vlaanderen, en 34% en 13% voor respectievelijk Wallonië en Brussel. Door die middelen nu volgens personenbelasting te verdelen, krijgt Vlaanderen 63,4%, Wallonië 28% en Brussel 8,6%. We denken dat een behoeftencriterium (nl. ‘gebruik’) hier misschien zelfs meer aangewezen was. Maar in elk geval is hier sprake van een serieuze transfer naar Vlaanderen, en niet omgekeerd.

Goed nieuws tot dusver. Maar zijn ook de pijnpunten uit de vorige Financieringswet aangepakt? Inderdaad. De fameuze ‘perverse’ effecten worden weggewerkt. Ten eerste was het, weliswaar in theorie, mogelijk dat een regio die goed presteert en rijker wordt (lees: Wallonië of Brussel zien hun belastbaar inkomen stijgen), per saldo minder ontving uit de Financieringswet. Deze ‘ontwikkelingsval’ werd veroorzaakt door het specifieke solidariteitsmechanisme: armere regio’s kregen iets extra. Deze angel werd verwijderd. Het nieuwe solidariteitsmechanisme garandeert dat er geen ‘ontwikkelingsval’ meer kan optreden. Elke regio heeft er nu altijd belang bij goed te presteren. Bovendien is ook het bedrag van die solidariteit afgenomen.

Daarnaast was er een tweede ‘pervers’ effect. Het rijkere Vlaanderen betaalt per inwoner meer personenbelasting dan de andere twee gewesten. Maar toch ontving het Vlaams Gewest (niet de Gemeenschap!) per hoofd van de bevolking minder dan Wallonië. Daar was de ‘negatieve term’ voor verantwoordelijk. Dat is een (groot) bedrag dat de gewesten jaarlijks moesten terugstorten aan het federale niveau omdat ze in 2002 belastinginstrumenten ter beschikking kregen die vroeger federaal waren, maar men toen de dotaties niet wou aanpassen. Het bedrag van de terugstorting werd historisch vastgeprikt en was daardoor één van de hoofdschuldigen voor het gebrek aan transparantie van de financieringswet. Welnu, die vermaledijde negatieve term wordt nagenoeg volledig afgeschaft. Ook dat is een uitstekende zaak.

Achteraf gezien speelde de negatieve term sterk in het voordeel van Wallonië. Door de afschaffing ervan gaat Wallonië er relatief op achteruit. Ze ontvangen ook minder uit het solidariteitsmechanisme, en zeker de verdeling van de nieuwe dotatie ‘werk’ is sterk in het voordeel van Vlaanderen. Om dit politiek haalbaar te maken wordt het verlies, dat er onvermijdelijk komt, verteerbaar gemaakt via een overgangsmechanisme. Dit komt neer op een tijdelijke compensatie die ervoor zorgt dat geen enkel regio of gemeenschap verliest op het moment dat de nieuwe wet in werking treedt. Die compensatie erodeert trouwens doorheen de jaren, aangezien ze niet geïndexeerd wordt. En over tien jaar begint ze trouwens volledig uit te doven. Dit een nieuwe ‘transfer’ noemen, zoals De Wever doet, getuigt van kwade trouw en is manifest onjuist. Er komt helemaal niets bovenop voor Wallonië. Wel integendeel. Hun ‘inlevering’ staat onomkeerbaar vast, maar ze krijgen wat uitstel om zich aan de nieuwe budgettaire situatie aan te passen.

Deze opinie verscheen in De Morgen op 26 september 2011.

[Download this opinion]

Nota Di Rupo: een stevige bodem

Co-auteur: Willem Sas (wetenschappelijk medewerker aan Centrum voor Economische Studieën van de KU Leuven)

De nota Di Rupo doet op een gedetailleerde en doordachte manier voorstellen om heel veel politieke knopen te ontwarren. Als de nota een kans wilde maken om eindelijk perspectief te bieden op de vorming van een regering, dan moest ze minstens in het luik Financieringswet een antwoord bieden op – al dan niet terechte – Vlaamse verzuchtingen. Om de N-VA-afwijzing te beoordelen houd ik er hier twee tegen het licht: meer fiscale autonomie verwerven, en de zogenaamde “perverse” effecten uit de Financieringswet halen.

Laat me beginnen met de “perverse” effecten. Daarover laat de nota Di Rupo weinig twijfel bestaan: ze verdwijnen. We schrijven perverse effecten. In meervoud dus, omdat het begrip de laatste jaren in twee verschillende betekenissen werd gebruikt, die zeker niet samenvallen. De oorspronkelijke betekenis van “pervers effect” verwees naar het volgende. Doordat Vlaanderen rijker is, betaalt het per inwoner meer inkomstenbelasting dan de twee andere gewesten. Na toepassing van de financieringswet echter, kon het zijn dat het Vlaams Gewest per hoofd van de bevolking minder ontving dan Wallonië (maar meer dan Brussel). De reden van deze “perverse” omkering lag in wat de “negatieve term” genoemd wordt. Dat is een (groot) bedrag dat de gewesten moeten terugstorten aan het federale niveau omdat ze in 2002 over meer fiscale autonomie gingen beschikken via eigen belastingen die vroeger federaal waren. Die terugstorting werd geregeld op een manier die nogal verstard was, want vastgeprikt op de belastingopbrengsten uit 2001. Achteraf gezien was de negatieve term sterk in het voordeel van Wallonië, en sterk in het nadeel van Brussel.

Vaststelling 1: die vermaledijde negatieve term wordt – zo goed als – afgeschaft.

De laatste jaren verschoof de betekenis van “pervers effect” in de Financieringswet gaandeweg naar iets anders. In theorie is het mogelijk dat een regio die goed presteert en rijker wordt (lees: zijn belastbaar inkomen ziet stijgen), per saldo minder ontvangt uit de Financieringswet. Dat komt door het solidariteitsmechanisme uit de Financieringswet. Dat geeft een extraatje aan de arme regio’s. Dat extraatje wordt betaald door de federale overheid en bedroeg in 2010 834 miljoen voor Wallonië en 285 miljoen voor Brussel. De mogelijkheid dat een goed presterend Wallonië of Brussel de facto minder zouden kunnen ontvangen (de zogenaamde “ontwikkelingsval”) wordt volgens mij aan Vlaamse kant overdreven sterk benadrukt. Het is en blijft slechts een theoretische mogelijkheid die zich enkel in heel bijzondere omstandigheden zou kunnen voordoen (bvb. als de groei in Vlaanderen helemaal zou stilvallen). Maar belangrijker is, dat deze mogelijkheid in feite niets te maken heeft met “solidariteit” op zich, maar wel met de specifieke manier waarop de solidariteit geregeld was in de Financieringswet. Academici en studiediensten hadden het dan ook niet moeilijk om de laatste jaren voorstellen te formuleren voor een beter solidariteitsmechanisme in de Financieringswet: een mechanisme dat garandeert dat er geen “ontwikkelingsval” kan optreden. Welnu, het is een dergelijk voorstel dat in de nota Di Rupo staat.

Vandaar vaststelling 2: ook het pervers effect in de tweede betekenis van het woord verdwijnt uit de Financieringswet en doet precies waar Vlamingen al zo lang op hameren.

Net daarom vond ik de weergave van dit aspect uit de nota Di Rupo heel vertekend in het artikel “Tekst van Di Rupo bevat veel dubbele bodems” in deze krant van 6 juli. Het argument in dat artikel dat er ook een “sokkel” wordt ingevoerd, en “daardoor alles bij het oude blijft” snijdt geen hout. Die “sokkel” tast op geen enkele manier de kwaliteit aan van het voorstel van solidariteitsmechanisme, nl. dat er zeker geen ontwikkelingsval meer is. Die sokkel dient enkel om de invoering van dit betere mechanisme ook politiek aanvaardbaar te maken en daar is niets mis mee. Laat me tenslotte opmerken dat het nieuwe solidariteitsmechanisme ook expliciet horizontaal is. Daarmee bedoelt men dat de rijkere regio betaalt aan de armere. In de huidige Financieringswet is dat niet zo, maar was het vertikaal georganiseerd: het federale niveau hoest de solidariteit op. Het mechanisme horizontaal maken was een expliciete vraag van N-VA, om de ermee gepaard gaande transfer duidelijker zichtbaar te maken.

De vraag naar meer fiscale autonomie wordt in de nota Di Rupo beantwoord met “uitgebreide” opcentiemen. Het bijvoegelijk naamwoord is hier belangrijk. Voor voorstanders van een eigen regionale inkomstenbelasting waren opcentiemen altijd uit den boze. Ze wilden eigen regionale tarieven. Hebben ze dan op dit vlak recht van klagen? Wel, eigenlijk ook niet. In de meeste gevallen zijn opcentiemen een proportionele verhoging van de belasting die door een andere overheid geheven wordt (bvb. die voor de gemeenten). Maar het adjectief “uitgebreid” in het voorstel van Di Rupo (en eigenlijk ook al in de voorstellen van Beke) slaat op de mogelijkheid om de opcentiemen te laten verschillen per inkomensschijf. Daarmee komen we wel heel dicht bij een ‘split-rate’. Alleen wordt het niet zo genoemd. Die ‘uitgebreide opcentiemen’ zijn dan ook nog eens onbeperkt in omvang. Fiscale autonomie à volonté dus.

Vandaar mijn vaststelling 3: de nota Di Rupo geeft wel degelijk een antwoord op de vraag naar meer fiscale autonomie.

De enige beperking die voorgesteld wordt bestaat erin dat men de progressiviteit van het belasting- systeem niet mag verminderen. Zij die nu de nota Di Rupo afwijzen hebben dit principe heel expliciet onderschreven toen zeven partijen in september 2010 samenzaten rond de Financieringswet. Concreet wil het zeggen dat, als een regio haar belastingen verlaagt via haar regionale opcentiemen, armeren minstens even veel moeten profiteren als rijkeren. En als het om een belastingverhoging gaat, dan mag die voor armen niet groter zijn dan voor rijken. Als men erover valt dat men die progressiviteit niet mag verminderen, dan had men dat veel beter in een veel vroeger stadium duidelijk gemaakt.

Deze drie vaststellingen doen mij besluiten dat de nota Di Rupo, wat de voorstellen rond de Financieringswet betreft, in heel grote mate tegemoet kwam aan de belangrijkste vragen en opmerkingen die vanuit Vlaamse hoek al jaren gemaakt worden: haal er de anomalieën of perverse effecten uit, en geef ons meer fiscale autonomie. Ik zie helemaal geen dubbele bodem onder deze voorstellen. Wat ik wel lees in de N-VA-reactie van gisteren is wazig taalgebruik (zoals het woord “oversolidariteit”) dat steeds minder verhult waar het bij de hervorming van de Financieringswet echt lijkt over te gaan: meer Vlaamse centen binnenkrijgen.

Waarom is dit een beter solidariteitsmechanisme?

De kritiek op het huidige solidariteitsmechanisme in de Bijzondere Financieringswet lag er in hoofdzaak in dat er een “ontwikkelingsval” mogelijk was. Daarmee bedoelt men dat als een regio rijker wordt, die regio in sommige gevallen minder dotatie krijgt. We illustreren dat in onderstaande figuur. Op de horizontale as staat het tijdsverloop, op de verticale as de inkomsten van het gewest per hoofd van de bevolking, gekregen vanuit de financieringswet. Om de ontwikkelingsval te genereren moeten we nogal specifieke veronderstellingen maken. Bijvoorbeeld dat Vlaanderen helemaal niet groeit, Wallonië aan 2%, en Brussel ook helemaal niet. We veronderstellen dat de belastingontvangsten proportioneel meegroeien met de economische groei. De figuur maakt duidelijk dat het effect van deze uitsluitend Waalse groei ertoe leidt dat ze de eerste jaren minder krijgen uit de gewestelijke dotatie. Dat is nu net de “ontwikkelingsval”. Ook Vlaanderen krijgt trouwens minder in dit scenario. Omdat Brussel verder achterblijft op de twee andere regio’s krijgen ze meer per inwoner.

Blog: Di Rupo (1)
Figuur 1: De ontwikkelingsval in de huidige financieringswet

We herhalen: de omgeving waarin we een ontwikkelingsval kunnen genereren is en blijft eerder uitzonderlijk. Maar anderzijds is er natuurlijk ook geen reden waarom we dit euvel niet zouden vermijden. Samen met Philippe Van Parijs deden we een voorstel voor een beter solidariteitsmechanisme, dat deze ontwikkelingsval vermijdt (het LOVANIUM-voorstel). We hebben het geformuleerd op basis van twee begrippen die in de discussie over de financieringswet steeds weer opduiken: solidariteit enerzijds, en responsabilisering anderzijds. Responsabilisering (laten we dit R noemen) werd in ons voorstel heel simpel voorgesteld: een regio krijgt de personenbelasting die op haar grondgebied geïnd wordt volledig terug. Solidariteit (S) bestaat er in ons voorstel uit dat we de belasting per inwoner gelijk maken over heel het grondgebied van de federatie. De rijke regio’s moeten dus afstaan aan de armere regio’s tot het gemiddelde gelijk wordt. Welnu, ons voorstel voor een solidariteitsmechanisme komt erop neer dat wat een regio ontvangt een gewogen gemiddelde is van R en S:

Dotatie regio = λ . S + (1-λ) .R

Als λ=0, dan telt enkel de eigen belastingopbrengst (ook wel ‘Juste Retour’ genoemd) en is er geen solidariteit. Als λ=1 , dan maken we de ontvangsten per hoofd van de bevolking in alle regio’s gelijk. Elke λ tussen nul en één is een an- dere keuze voor hoeveel gewicht we willen geven aan solidariteit en hoeveel aan eigen verantwoordelijkheid voor belastingopbrengsten. We zouden bijvoorbeeld λ=0,80 kunnen kiezen. Dit voorstel heeft twee belangrijke troeven. Ten eerste is het “smooth”. Dat betekent dat er geen ontwikkelingval meer is. In figuur 2 doen we net dezelfde simulatie als in figuur 1, maar nu met het LOVANIUM-solidariteitsmechanisme, waarbij we λ gelijk aan 0,80 gekozen hebben. Als Wallonië groeit, krijgt Wallonië altijd meer inkomsten, en is er ook geen enkel ander regio de dupe van. Net wat we wilden toch?

De tweede troef ligt in de helderheid waarmee de echte politieke keuze van solidariteit tot uiting komt. Uiteindelijk moet er enkel over de λ gediscussieerd worden.

Het solidariteitsmechanisme in de nota Di Rupo is niets anders dan dit LOVANIUM-solidariteitsmechanisme, met een λ gelijk aan 0,80. Vindt men dit “te veel solidariteit”, dan hoeft men maar de factor λ te verlagen.

Blog: Di Rupo (2)
Figuur 2: Het solidariteitsmechanisme zoals voorgesteld in de nota Di Rupo

In de nota Di Rupo wordt er naast het nieuwe solidariteitsmechanisme ook nog een “sokkel” ingevoerd. Dat is een vast bedrag dat ervoor zorgt dat geen enkele regio bij de invoering van dit nieuwe mechanisme verliest. Een compensatie dus, om ervoor te zorgen dat de invoering van dit betere systeem ook politiek haalbaar is. In tegenstelling tot wat in De Standaard beweerd werd zorgt dit er niet voor dat “alles bij het oude blijft”. Die sokkel verandert immers niets aan de oplopende lijnen in figuur 2 hierboven. Hij verschuift enkel de volledige lijn naar boven of naar beneden. In die zin kàn die “sokkel” geen effect hebben op de – veronderstelde –  incentiefeffecten van het nieuwe solidariteitsmechanisme. Het is zorgwekkend dat één titel (“Tekst van Di Rupo bevat veel dubbele bodems”) zoveel geesten kan beïnvloeden, zeker als hij ook nog eens feitelijk onjuist is. Ook N-VA nam deze terminologie letterlijk over in haar kritiek op de nota Di Rupo. Twee dagen na het stuk in De Standaard hoorden en lazen we op zijn minst vijf keren verwijzen naar “dubbele bodems”. De nota Di Rupo heeft overduidelijk geen eerlijke politieke kans gekregen.

Deze opinie verscheen in verkorte versie in De Standaard op 8 juli 2011.

[Download this opinion]